Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4036

Datum uitspraak2004-12-17
Datum gepubliceerd2004-12-17
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC03/192HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

17 december 2004 Eerste Kamer Nr. C03/192HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties...


Conclusie anoniem

Rolnummer C03/192HR mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 15 oktober 2004 Conclusie inzake [Eiser] tegen Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. Inleiding 1. In deze zaak gaat het om de vraag of thans verweerster in cassatie (verder: Nationale Nederlanden) zich op art. 251 K kan beroepen tegenover thans eiser tot cassatie (verder: [eiser]), die aanspraak maakt op uitkering uit hoofde van de in 1982 ten behoeve van hem gesloten collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarvan de verzekerde som in 1989 en in 1990 is verhoogd nadat (wederom) een aanvraagformulier was ingevuld; in dit verband is aan de orde gekomen of in 1989 en in 1990 (telkens) sprake was van een nieuwe verzekeringsovereenkomst. Vooropstellend dat geen grief is gericht tegen het kennelijke oordeel van de rechtbank dat zowel in 1989 als in 1990 sprake was van het sluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst (met de totstandkoming waarvan de oude verzekeringsovereenkomst naar 's hofs oordeel moet zijn komen te vervallen), heeft het hof het beroep van Nationale Nederlanden op art. 251 K gehonoreerd nadat het had vastgesteld dat [eiser] op het aanvraagformulier van 1990 dat een duidelijke vraag bevatte naar alle medische en psychische klachten en behandelingen, geen melding heeft gemaakt van de door hem ondervonden klachten van medische en psychische aard en de in verband daarmee ondergane behandelingen in 1961, in 1985 en in de jaren 1988-1990. Daartegen richt zich het middel. 2. Tussen partijen staat het volgende vast (zie rechtsoverweging 1 van het vonnis van de rechtbank en rechtsoverweging 1 van het arrest van het hof): i) [Eiser] is van 12 april 1982 tot en met 1 februari 1995 in dienst geweest bij [A] B.V. Ten behoeve van een te sluiten arbeidsongeschiktheidsverzekering is een keuringsrapport opgemaakt op 2 juli 1982, waarbij [eiser] de volgende vragen met "nee" heeft beantwoord: 2. Lijdt of leed u aan of had u klachten ter zake van k. zenuwachtigheid, overwerktheid, overspanning, zenuwziekte; 11. Hebt u wel eens specialisten geraadpleegd? 12. Bent u wel eens in een ziekenhuis, sanatorium of inrichting verpleegd geweest? 24. Hebt u nog iets mede te delen wat voor de acceptatie van de aangevraagde verzekering van belang is? ii) Op of omstreeks juli 1982 hebben [A] en RVS een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekeringsovereenkomst (polisnummer [001]) gesloten met [eiser] als de te verzekeren persoon. iii) In april 1989 en in maart 1990 is, nadat [eiser] een medische herkeuring had ondergaan en een aanvraagformulier had ingevuld, de verzekerde som van voornoemde overeenkomst verhoogd. iv) In de periode van 19 februari 1994 tot 31 mei 1994 en vanaf 15 augustus 1994 tot in ieder geval 7 januari 2000 is [eiser] 80-100% arbeidsongeschikt (geweest) ten gevolge van zware depressiviteit. vi) Op 9 december 1994 heeft [eiser] (vraag 14 van) het schadeaangifteformulier van Nationale Nederlanden als volgt ingevuld: Aan welke ziekte lijdt u? [Eiser]: "depressiviteit zwaar" Hebt u ooit aan deze ziekte geleden? [Eiser]: "ja" Zo ja, wanneer en hoe vaak? [Eiser]: "1961 St. Jozefziekenhuis opname van + 6 weken" 3. Bij inleidende dagvaarding van 7 januari 2002 heeft [eiser] gevorderd Nationale Nederlanden te veroordelen haar betalingsverplichtingen voortvloeiende uit de onder polisnummer [001] aangegane arbeidsongeschiktheidsverzekering vanaf 19 februari 1994 tot 31 mei 1994 en vanaf 15 augustus 1994, althans vanaf 15 augustus 1994, na te komen, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. 4. Nationale Nederlanden heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft een beroep gedaan op art. 251 K. Daartoe heeft zij - onder verwijzing naar door [eiser] overgelegde stukken - aangevoerd dat [eiser] heeft verzwegen dat er sprake was van zeer relevante psychische problematiek: zij heeft betoogd dat [eiser] zich zowel bij de aanvraag in 1982 als bij de aanvragen voor verhoging van de verzekerde som in 1989 en in 1990 schuldig heeft gemaakt aan verzwijging door niet te vermelden dat hij in 1961 circa zes weken opgenomen is geweest in het St. Jozefziekenhuis wegens verdenking van depressie en schizofrene psychose, terwijl [eiser] bij de aanvragen voor verhoging van de verzekerde som in 1989 en in 1990 bovendien verzwegen heeft dat hij in 1981 onder behandeling is geweest bij iemand van het RIAGG, dat hij in 1985 bij een klinisch psycholoog is geweest en dat hij in 1987 t/m 1990 is behandeld door een psychiater. Nationale Nederlanden heeft aangegeven dat zij, indien zij met de ware stand van zaken bekend was geweest, de verzekering zou hebben gesloten onder de voorwaarde dat geen uitkering wordt verleend voor arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan, bevorderd of verergerd door psychische aandoeningen, inclusief surmenage. 5. [Eiser] heeft vervolgens bij repliek betwist dat Nationale Nederlanden de verzekering niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien zij met de ware stand van zaken bekend was geweest. Hij heeft voorts betoogd dat het verhogen van de verzekerde som in 1989 en (wederom) in 1990 niet kan worden beschouwd als het (telkens) sluiten van een nieuwe verzekering, zodat art. 251 K niet van toepassing is op eventuele verzwijgingen in 1989 en in 1990 nu deze bepaling alleen ziet op verzwijgingen bij het sluiten van de overeenkomst. Nationale Nederlanden heeft zich daarop bij dupliek op het standpunt gesteld dat voor wat betreft de verhogingen steeds sprake was van een nieuwe verzekering - en derhalve van toepasselijkheid van art. 251 K - nu een aanvraagformulier moest worden ingezonden en opnieuw medisch onderzoek plaatsvond, terwijl voor Nationale Nederlanden ook geen plicht tot acceptatie bestond. 6. De rechtbank heeft bij vonnis van 17 januari 2001 overwogen dat [eiser] zich in 1982 bij het sluiten van de overeenkomst schuldig heeft gemaakt aan verzwijging nu hij - naar uit de stukken is gebleken - in 1961 opgenomen is geweest in het St. Jozefziekenhuis te Delft wegens vermoedens van schizofrenie en hij van deze klachten en deze opname geen melding heeft gemaakt bij de beantwoording van de vragen 2, 11, 12 en 24 van het keuringsrapport van 2 juli 1982. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat Nationale Nederlanden zich ten aanzien van deze verzwijging niet op art. 251 K kan beroepen aangezien het enkele feit dat [eiser] in 1961 in het St. Jozefziekenhuis opgenomen is geweest onvoldoende is om aan te nemen dat Nationale Nederlanden als redelijk handelend verzekeraar de verzekering in 1982 niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten; dit, omdat deze opname 21 jaar vóór het sluiten van de overeenkomst plaatsvond toen [eiser] nog een adolescent was en er tot 1982 geen sprake is geweest van (andere) psychiatrische problematiek. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat art. 251 K bij de verhoging van de verzekerde som in 1989 en in 1990 "(analoog)" van toepassing is nu [eiser] zowel in 1989 als in 1990 een aanvraagformulier heeft moeten invullen en hij in 1989 een medische keuring heeft ondergaan. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] zich in 1989 en in 1990 schuldig heeft gemaakt aan verzwijging aangezien hij toen bij de beantwoording van de vraag of hij wel eens een specialist heeft geraadpleegd, niet heeft vermeld dat hij vanaf 1987 (1988) tot en met 1990 bijstand heeft gehad van een psychiater wegens relatieproblemen en dat hij in 1980 en in 1985 in behandeling is geweest bij een psycholoog wegens relatieproblematiek. Naar het oordeel van de rechtbank waren deze verzwegen feiten en omstandigheden relevant voor Nationale Nederlanden bij de beoordeling van het risico van arbeidsongeschiktheid omdat zij voor haar als redelijk handelend verzekeraar aanleiding hadden kunnen zijn om nadere informatie over de psychische gesteldheid van [eiser] op te vragen dan wel om de voorwaarden van de verzekering aan te passen in de door Nationale Nederlanden aangegeven zin. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het beroep van Nationale Nederlanden op art. 251 K en het daaraan verbonden rechtsgevolg slaagt. Zij heeft ten slotte de vordering van [eiser] in haar geheel afgewezen. 7. [Eiser] is van dit vonnis in beroep gekomen onder aanvoering van drie grieven. De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in 1989 en in 1990 sprake is geweest van een verzwijging waardoor het beroep van Nationale Nederlanden op art. 251 K slaagt en het daaraan verbonden rechtsgevolg (nietigheid) in werking treedt. Nationale Nederlanden heeft verweer gevoerd alsmede voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van een grief. Deze grief komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat Nationale Nederlanden zich ter zake van de totstandkoming van de verzekering in 1982 niet op art. 251 K kan beroepen. Nationale Nederlanden heeft in dit verband betoogd dat de rechtbank de vordering van [eiser] had moeten toewijzen voor de verzekerde som zoals die vóór de verhogingen in 1989 en 1990 gold (waarmee Nationale Nederlanden als ik het goed begrijp bedoelt te betogen dat een dergelijke toewijzing was aangewezen gezien hetgeen de rechtbank heeft overwogen), doch dat [eiser] op dit punt geen grief heeft aangevoerd en dat [eiser] terzake niet alsnog een grief kan aanvoeren, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de verzwijgingen in 1989 en 1990 tot gevolg hebben dat de gehele vordering moet worden afgewezen. Zij heeft betoogd dat zij voorwaardelijk incidentele appel heeft ingesteld voor het geval toch geoordeeld zou mogen worden dat de vordering van [eiser] voor wat betreft de uitkering zoals die in 1988 gold wel toewijsbaar is. [Eiser] heeft zich bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel - wellicht ter verduidelijking van het gevoerde procesbeleid - uitdrukkelijk op het standpunt gesteld - een standpunt dat afweek van zijn standpunt in eerste aanleg - dat de verzekering één en ondeelbaar is en dat na de verhoging van de verzekerde som een nieuwe overeenkomst is totstandgekomen, zodat de conclusie van de rechtbank dat sprake was van verzwijgingen na 1984 - een conclusie die [eiser] in appel betwist - tot afwijzing van de gehele vordering moest leiden. 8. Het hof heeft bij arrest van 11 maart 2003 het bestreden vonnis onder verbetering van gronden bekrachtigd op grond van de volgende overwegingen. Het hof heeft met betrekking tot de vraag of art. 251 K van toepassing is op de verhogingen van de verzekerde som, het volgende vooropgesteld. De rechtbank heeft - naar het hof begrijpt - kennelijk geoordeeld dat zowel in 1989 als in 1990 (telkens) sprake was van het sluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst tussen partijen waarop art. 251 K van toepassing is. Nu tegen dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep geen grief is gericht en evenmin anderszins bezwaar is gemaakt, gaat het hof hiervan uit. Dit brengt mee dat voor het beroep van Nationale Nederlanden op art. 251 K in beginsel slechts relevant is of [eiser] zich bij de totstandkoming van de laatste verzekeringsovereenkomst in 1990 schuldig heeft gemaakt aan verzwijging. Immers, aangenomen moet worden dat met de totstandkoming van de nieuwe verzekeringsovereenkomst in 1990 de oude overeenkomsten zijn komen te vervallen. Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat blijkt dat [eiser] in 1961 opgenomen is geweest in het St. Jozefziekenhuis wegens vermoedens van schizofrenie en dat [eiser] zijn klachten in die periode alsmede de opname niet heeft vermeld op het aanvraagformulier voor de verzekering in 1990. Voorts blijkt, aldus het hof, dat [eiser] in 1985 een aantal gesprekken heeft gevoerd met een klinisch psycholoog met betrekking tot de relatie van [eiser] en dat [eiser] ook hiervan geen melding heeft gemaakt op het aanvraagformulier. Ten slotte heeft het hof vastgesteld dat [eiser] van 29 augustus 1988 tot en met 5 februari 1990 in behandeling is geweest bij een psychiater in verband met relatieproblemen en dat [eiser] ook dit feit niet op het aanvraagformulier heeft vermeld. Vooropstellend dat [eiser] de op het vragenformulier gestelde vragen van de verzekeraar juist en volledig diende in te vullen overeenkomstig de zin waarin hij deze in redelijkheid mocht begrijpen en dat Nationale Nederlanden met het opnemen van deze vragen op het vragenformulier heeft aangegeven dat deze vragen voor haar relevant waren bij de beoordeling van het te verzekeren risico, heeft het hof overwogen dat [eiser] de desbetreffende vragen op het aanvraagformulier in redelijkheid niet anders mocht begrijpen dan dat daarin werd gevraagd naar alle medische en psychische klachten en behandelingen die [eiser] in het verleden had gehad. Het hof heeft geconcludeerd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan verzwijging door genoemde gegevens niet op het aanvraagformulier te vermelden, waarbij zich - aldus het hof - niet de situatie voordoet dat Nationale Nederlanden reeds op andere wijze dan via het aanvraagformulier uit 1990 van deze feiten op de hoogte was nu [eiser] voormelde gegevens ook op de eerdere aanvraagformulieren en bij de medische keuringen in 1982 en in 1989 niet heeft vermeld. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat aannemelijk is dat Nationale Nederlanden als redelijk handelend verzekeraar de verzekering niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten indien [eiser] het aanvraagformulier volledig en naar waarheid zou hebben ingevuld, althans dat aannemelijk is dat Nationale Nederlanden zulks in ieder geval niet zou hebben gedaan zonder nader onderzoek naar de psychische gesteldheid van [eiser] en dat voorts voldoende aannemelijk is dat nader onderzoek ertoe zou hebben geleid dat de verzekeraar de verzekering niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten gelet op - onder meer - het rapport van het Psychologisch, Psychiatrisch en Neurologisch Adviesbureau [B] d.d. 13 november 1995, waarin wordt geconcludeerd dat [eiser] een persoonlijkheidsstructuur bezit die hem kwetsbaar maakt voor het ontwikkelen van psychiatrische pathologie. Het hof heeft het door [eiser] gedane bewijsaanbod als te vaag en niet ter zake dienend gepasseerd. Ten slotte heeft het hof geconcludeerd dat de grieven in het principaal appel falen zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van het voorwaardelijk ingestelde incidentele appel, en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd met verbetering van gronden. 9. [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Nationale Nederlanden heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft voorts nog gerepliceerd. De cassatiemiddelen 10. Middel 1 komt met vijf subonderdelen op tegen rechtsoverweging 3 van het 's hofs arrest, waarin het hof heeft overwogen dat de rechtbank "kennelijk" heeft geoordeeld dat in 1989 en in 1990 (telkens) sprake was van het sluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst tussen partijen waarop art. 251 K van toepassing is, en voorts dat het hof ook hiervan uitgaat nu tegen dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep geen grief is gericht en evenmin anderszins bezwaar is gemaakt. Middelonderdeel 1a klaagt dat nu de rechtbank niet expliciet heeft overwogen dat telkens nieuwe overeenkomsten werden gesloten, het hof niet had mogen overwegen dat de rechtbank zulks "kennelijk" heeft geoordeeld zonder op deugdelijke wijze te hebben vastgesteld dat het voor beide partijen duidelijk was dat de rechtbank zulks meende. Middelonderdeel 1b strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat [eiser] de overwegingen van de rechtbank zodanig heeft begrepen en heeft mogen begrijpen dat de rechtbank heeft geoordeeld dat in 1989 en daarna in 1990 uitsluitend de omvang van het verzekerde bedrag werd verhoogd en dat uitsluitend deze verhoging werd getroffen door een op art. 251 K gebaseerde vernietigingsactie, en voorts dat het hof heeft miskend dat [eiser] met zijn grieven de onjuistheid van "de integrale vernieuwing" bestreed en de volle omvang van het verzekerde bedrag bleef vorderen en dat hij niet nog eens behoefde te klagen over het feit dat de rechtbank hem zelfs niet toewees wat hem toegewezen had kunnen worden. Middelonderdeel 1c klaagt - voortbouwend op middelonderdeel 1b - dat het hof althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Middelonderdeel 1d klaagt - voortbouwend op middelonderdeel 1a - over een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Middelonderdeel 1d bevat geen zelfstandige klacht. 11. Aan het middel kan worden toegegeven dat niet aanstonds duidelijk lijkt of de rechtbank ervan is uitgegaan dat met de verhogingen van het verzekerde bedrag in 1989 en in 1990 telkens een geheel nieuwe overeenkomst werd gesloten dan wel dat daarvan geen sprake was of althans, zoals Nationale Nederlanden had betoogd, slechts voorzover het de verhogingen betrof. Zoals partijen in de procedure ook hebben benadrukt, is het antwoord op deze vraag van belang voor de toepasselijkheid van art. 251 K, een bepaling die de verzekeraar - die in hoge mate moet afgaan op mededelingen van de verzekeringnemer bij het sluiten van de overeenkomst - het recht geeft zich op nietigheid van de overeenkomst te beroepen indien de verzekeringnemer hem, hoe ook te goeder trouw, onjuist of onvolledig heeft voorgelicht mits hij bij kennis van de ware feiten de verzekering niet of slechts op andere voorwaarden zou hebben gesloten. Art. 251 K - dat aldus een bijzondere toepassing dan wel verduidelijking is van de algemene regeling inzake dwaling en bedrog van art. 6:228 en art. 3:44 BW, althans voorzover de verzekeraar heeft gedwaald dan wel is bedrogen - heeft immers - aldus uw Raad in zijn arrest van 6 januari 1984, NJ 1985, 590 m.nt. FHJM - blijkens zijn bewoordingen en strekking alleen het oog op hetgeen bij het sluiten van de overeenkomst al dan niet is medegedeeld. Op wijzigingen in een bestaande verzekering is de bepaling niet van toepassing; zie verder ook Asser-Clausing-Wansink, 1998, nr. 94. Aldus is het toepassingsgebied van art. 251 K enigszins ingeperkt, waarbij aantekening verdient dat algemeen als bezwaar tegen art. 251 K wordt aangevoerd dat deze bepaling met vernietigbaarheid als enige sanctie zonder onderscheid naar het gewicht van de verzwijging en de intenties van de verzekeringnemer deze en de tot uitkering gerechtigde veelal te zwaar treft. Zie hierover in het bijzonder de MvT bij wetsvoorstel 19 529 (Vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek), waarin wordt aangegeven dat dit bezwaar reden is geweest de regeling van art. 251 K te vervangen door de regeling van art. 7.17.1.4-6a waarin aan de verzekeringnemer een bijzondere mededelingsplicht wordt opgelegd en waarin sprake is van een "proportionele sanctie" ingeval deze plicht is geschonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 7 e.v.). Zie overigens over de mogelijkheid van partiële vernietiging ook reeds de conclusie van mijn oud-ambtgenoot Asser voor HR 26 maart 1993, NJ 1993, 329. Voor het antwoord op de vraag of een nieuwe verzekeringsovereenkomst is totstandgekomen dan wel een bestaande verzekeringsovereenkomst is verlengd of voortgezet, zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder in het bijzonder de mede door uitleg van de polis vast te stellen bedoeling van partijen; aldus uw Raad in het arrest van 8 januari 1993, NJ 1994, 151. Het oordeel over de vraag of een nieuwe overeenkomst is totstandgekomen kan dan ook - wegens de verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard - in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Overigens verdient opmerking dat de verzekeraar in deze zaak - evenals aanvankelijk in eerste aanleg de verzekerde, die evenwel dat standpunt in hoger beroep heeft prijsgegeven - het standpunt verdedigt dat voor wat betreft de verhoging van het bedrag een nieuwe overeenkomst is totstandgekomen met handhaving van de oude overeenkomst voor het aanvankelijk verzekerde bedrag, hetgeen niet alleen impliceert dat met betrekking tot de verhoging het voor de verzekeraar aantrekkelijke art. 251 K van toepassing wordt, doch tevens dat de oude overeenkomst onverkort blijft voortbestaan ook al zou de nieuwe overeenkomst op grond van art. 251 K worden vernietigd. Dit laatste is voor de verzekeringnemer van belang ingeval slechts bij de verhoging van het verzekerde bedrag sprake is geweest van verzwijging. In het onderhavige geval ligt evenwel in 's hofs overwegingen het oordeel besloten dat ook bij het aangaan van de overeenkomst in 1980 sprake is geweest van verzwijging. Het hof - dat ervan is uitgegaan dat in 1990 een nieuwe verzekeringsovereenkomst is gesloten en dat niet slechts de bestaande overeenkomst werd gewijzigd - heeft immers voor zijn oordeel dat in 1990 sprake is geweest van een verzwijging die een beroep op art. 251 K rechtvaardigt, mede beslissend geacht de omstandigheid dat [eiser] niet heeft vermeld dat hij in 1961 opgenomen is geweest in het St. Jozefziekenhuis; in dat oordeel ligt besloten dat in zoverre - anders dan de rechtbank oordeelde - ook reeds bij het sluiten van de overeenkomst in 1980 sprake is geweest van een verzwijging die een beroep op art. 251 K rechtvaardigt. 12. Hoe dit verder ook zij, het hof heeft in zijn door middel 1 bestreden rechtsoverweging overwogen dat de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld dat in 1989 en in 1990 (telkens) sprake was van het sluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst waarop art. 251 K van toepassing is, en voorts dat het hof ook hiervan uitgaat nu tegen dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep geen grief is gericht en evenmin anderszins bezwaar is gemaakt. Middel 1 komt tevergeefs op tegen 's hofs uitleg van het bestreden vonnis en van de tegen dat vonnis gerichte grieven. Onderdeel 1a miskent dat het hof bij zijn uitleg van het bestreden vonnis niet behoefde na te gaan of zijn uitleg - die op zichzelf niet onbegrijpelijk is nu immers de rechtbank niet alleen art. 251 K (analoog) van toepassing heeft geacht maar de vordering van [eiser] integraal heeft afgewezen - strookte met hetgeen partijen voor ogen stond, terwijl het onderdeel voorts eraan voorbijziet dat [eiser] zelf met name in zijn memorie van antwoord in het incidentele appel zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een nieuwe overeenkomst. Onderdeel 1b miskent dat het hof onder ogen had te zien - zoals het heeft gedaan - of [eiser] een grief heeft gericht (of anderszins bezwaar heeft gemaakt) tegen het - impliciete - oordeel van de rechtbank dat in 1989 en in 1990 sprake was van een nieuwe verzekeringsovereenkomst; 's hofs oordeel dat zulks niet het geval is, is niet onbegrijpelijk in het licht van het zojuist weergegeven standpunt van [eiser] in zijn memorie van antwoord in het incidentele appel. De onderdelen 1c en 1d bouwen voort op de onderdelen 1b respectievelijk 1a. Middelonderdeel 1d bevat geen zelfstandige klacht. 13. Middel 2 strekt ten betoge dat het het hof - dat uitsluitend het principaal appel heeft behandeld - zonder nadere motivering niet vrijstond te oordelen dat het enkele feit dat [eiser] in 1990 heeft verzwegen dat hij in 1961 in het St. Jozefziekenhuis werd opgenomen, grond opleverde voor een beroep op art. 251 K nu de rechtbank heeft geoordeeld dat deze verzwijging geen grond opleverde voor een beroep op art. 251 K en [eiser] tegen dit oordeel geen grief heeft gericht. 14. Dit middel ziet eraan voorbij dat het hof alle niet uitdrukkelijk prijsgegeven weren en stellingen van Nationale Nederlanden, waaronder deze dat het niet-mededelen in 1990 van de opname en het verblijf in 1961 in het St. Jozefziekenhuis wegens verdenking van schizofrenie ook in 1990 een verzwijging oplevert die een beroep op art. 251 K rechtvaardigt, bij zijn beoordeling diende te betrekken nu [eiser] met zijn principaal appel de toewijsbaarheid van de vordering in haar geheel aan de orde stelde. (Zie Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, nr. 41 en Snijders/Wendels, Civiel Appel, 2003, nrs. 216-219.) 15. Middel 3 klaagt dat het hof, dat in rechtsoverweging 13 een rapport van 13 november 1995 een rol heeft laten spelen bij zijn oordeel dat een redelijk handelend verzekeraar in 1990 een verzekering niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, had moeten overwegen waarom het de inhoud van dit rapport als deugdelijk bewijs beschouwde en dat het hof voorts had moeten overwegen waarom hetgeen de rapporteur verklaarde ook al in 1982, 1989, en/of 1990 aan [eiser] bekend was. 16. Het hof heeft in zijn door het middel bestreden rechtsoverweging 13 geoordeeld dat aannemelijk is dat Nationale Nederlanden als redelijk handelend verzekeraar de verzekering niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien [eiser] het aanvraagformulier volledig en naar waarheid zou hebben ingevuld, althans dat aannemelijk is dat Nationale Nederlanden zulks in ieder geval niet zou hebben gedaan zonder nader onderzoek naar de psychische gesteldheid van [eiser] en dat voorts voldoende aannemelijk is dat nader onderzoek ertoe zou hebben geleid dat de verzekeraar de verzekering niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten gelet op - onder meer - het rapport van het Psychologisch, Psychiatrisch en Neurologisch Adviesbureau [B] d.d. 13 november 1995, waarin wordt geconcludeerd dat [eiser] een persoonlijkheidsstructuur bezit die hem kwetsbaar maakt voor het ontwikkelen van psychiatrische pathologie. Aldus heeft het hof uit het bedoelde rapport van het adviesbureau [B] afgeleid dat voldoende aannemelijk is dat nader onderzoek ertoe zou hebben geleid - ingeval het destijds zou zijn verricht - dat Nationale Nederlanden de verzekering niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, terwijl overigens geldt dat de waardering van de bewijsmiddelen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Daarop strandt de eerste klacht van middel 3. De tweede klacht miskent dat voor de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat nader onderzoek ertoe zou hebben geleid dat de verzekering niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten, irrelevant is of [eiser] destijds in 1982, 1989, en/of 1990 al bekend was met de (mogelijke) uitkomsten van dat onderzoek. 17. Middel 4 klaagt dat het hof heeft miskend dat het ingevolge HR 1 december 1995, NJ 1996, 707, m.nt. MMM, aan degene die een verzekering wenst af te sluiten of te wijzigen, is toegestaan om "een hem door de verzekeraar voorgelegde vraag op te vatten in de zin die de verzekeringnemer daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag toekennen". Het middel verwijt het hof te zijn uitgegaan van de rechtsopvatting dat de verzekeraar beschouwd wordt als de instantie aan wie degene die een verzekering wenst af te sluiten of te wijzigen, zonder enige terughoudendheid alles moet zeggen wat hij heeft meegemaakt, waarna de verzekeraar wel zal uitmaken of er iets van zijn gading bijzit. 18. Dit middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rechtsoverweging 9 - geheel conform het door het middel genoemde arrest - vooropgesteld dat [eiser] de op het vragenformulier gestelde (gerichte) vragen van de verzekeraar juist en volledig diende in te vullen overeenkomstig de zin waarin hij deze redelijkerwijs mocht begrijpen, waarna het hof in rechtsoverweging 10 heeft overwogen dat [eiser] deze vragen niet anders mocht begrijpen dan dat daarin werd gevraagd naar alle medische en psychische klachten en behandelingen waarbij hij ervan uit diende te gaan dat de antwoorden op deze vragen voor Nationale Nederlanden relevant konden zijn bij het sluiten van de verzekering. 19. Middel 5 komt op tegen rechtsoverweging 15, waarin het hof het bewijsaanbod van [eiser] als te vaag en als niet ter zake dienend van de hand heeft gewezen. Geklaagd wordt dat bezien in het licht van hetgeen [eiser] in zijn memorie van grieven onder nr. 14 dienaangaande heeft overwogen, niet duidelijk is waarom het bewijsaanbod te vaag of niet ter zake dienende zou zijn. 20. Voorzover het middel al voldoet aan de daaraan te stellen eisen, faalt het. In de door het middel genoemde passage uit de memorie van grieven, heeft [eiser] het bewijsaanbod herhaald dat hij in eerste aanleg (conclusie van repliek onder 17) heeft gedaan; het betrof een algemeen en niet gespecificeerd aanbod tot bewijs van "al zijn stellingen". [Eiser] heeft daarbij in zijn memorie van grieven aangetekend dat hij het bewijsaanbod met name van belang achtte ter beantwoording van de vraag wat hij, ten aanzien van de risicobeoordeling voor acceptatie, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs behoorde te begrijpen. Het hof kon dit aanbod zonder nadere motivering passeren als niet voldoende gespecificeerd nu [eiser] niet heeft aangegeven welke concrete feiten en omstandigheden hij te bewijzen aanbood. Het hof kon dit aanbod tevens als niet ter zake dienende passeren nu het had vastgesteld dat de desbetreffende vragen niet voor tweeërlei uitleg vatbaar waren. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


Uitspraak

17 december 2004 Eerste Kamer Nr. C03/192HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 7 januari 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: Nationale-Nederlanden - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Nationale-Nederlanden te veroordelen om haar betalings- en eventuele overige verplichtingen jegens [eiser], voortvloeiende uit de onder polisnummer 67.109.10582 aangegane arbeidsongeschiktheidsverzekering vanaf 19 februari 1994 tot 31 mei 1994 en vanaf 15 augustus 1994, althans vanaf 15 augustus 1994 na te komen, vermeerderd met de wettelijke rente over vanaf 19 februari 1994 tot 31 mei 1994 en vanaf 15 augustus 1994, althans vanaf 15 augustus 1994, althans vanaf de dag der dagvaarding, door Nationale-Nederlanden aan [eiser] verschuldigde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, met veroordeling van Nationale-Nederlanden in de kosten van het geding. Nationale-Nederlanden heeft de vordering bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 17 januari 2001 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Nationale-Nederlanden heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 11 maart 2003 heeft het hof in het principaal appel voormeld vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Nationale-Nederlanden heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 17 december 2004.